skip to Main Content

Witkapje en de Rode Wolf

Alwin Veldboom over de volmaakte onverschilligheid van de mens
Vrij frequent neem ik iets waar in de krant dat mij in een staat van verlammende verbazing brengt. Op zo’n moment staar ik enkele seconden wezenloos voor me uit, daarna zoeken mijn ogen vaak de dichtstbijzijnde persoon op. Als een soort reality check kijk ik dan even naar deze persoon, om uiteindelijk weer te duiken in het betreffende artikel. Op dat soort momenten bedgrijp ik even niets meer van de wereld. 

Zo viel mijn blik ruim 2 maanden geleden op de kop ´Duizenden Zweden op wolvenjacht´ (Trouw, 4 januari 2010). Wat bleek: het Zweedse parlement had besloten dat de populatie grijze wolven in haar land boven het acceptabele (210 wolven) was uitgestegen. De grijze wolf, in de jaren ’70 nog op de rand van uitsterven balancerend, is vooral tot last van boeren doordat zij af en toe vee aanvalt. Als oplossing voor het probleem heeft het parlement toestemming gegeven tot een ‘allemansjacht’, wat inhoudt dat eenieder die er plezier aan denkt te zullen ontlenen, een jachtvergunning kan aanvragen. De Zweed schreef zich massaal in, met als resultaat dat er januari 2010 naar schatting 11.000 Zweden bewapend met geweer door de bossen liepen om de wolvenpopulatie met 27 te doen krimpen. Zij hadden hiervoor ruim een maand de tijd. Niet alleen het feit dat 11.000 Zweden staan te springen om een prachtig schepsel als de grijze wolf van het leven te beroven verontrust mij. Het gemak waarmee dieren, levende wezens, tegenwoordig worden ‘geruimd’, ik denk hierbij aan de met Q-koorts besmette geiten (NRC Next, 9 december 2009), lijkt te groeien. Waarom worden AIDS patiënten niet met datzelfde gemak ‘geruimd’? En waarom wordt de populatie van de wolf nauwkeurig op peil gehouden, maar die van de mens niet?

‘Wreedheid tegen dieren, en niet het minst de volmaakte onverschilligheid voor hun lijden, is mijns inziens één van de zwaarste misdrijven van het menselijk geslacht.’, sprak een Franse schrijver al aan het begin van de 20ste eeuw (Romain Roland, 1866-1944). Die volmaakte onverschilligheid is misschien nog het best te benoemen als de ontkenning van de morele status van dieren. Het niet toekennen van intrinsieke waarde, bestaanwaarde buiten de relatie met de mens, aan een dier maakt daar deel van uit. Ik vraag me dikwijls af of we op dezelfde wijze met dieren om zouden gaan wanneer zij op dezelfde wijze zouden communiceren als mensen. Gevoelens van dieren, er van uitgaande dat bepaalde dieren in staat zijn pijn, angst en plezier te ervaren, zijn bijvoorbeeld moeilijk voor mensen om te doorgronden. Als de wolven kenbaar hadden kunnen maken aan het Zweedse parlement het niet eens te zijn met de allemansjacht, was er zonder twijfel minder gemakkelijk over hun lot besloten zoals dat nu is gebeurd. In dat opzicht is het een geluk dat de mens binnen haar soort in staat is met elkaar te communiceren. Stelt u zich voor dat homofiele schizofrene licht incontinente met AIDS besmette van Anglo-Amerikaanse afkomst zijnde Siamese tweelingen zonder religieuze overtuiging niet konden praten. Door deze communicatie barrière worden dieren al snel gezien als outsiders, en zeker voor dieren die zich niet of nauwelijks kunnen verweren geldt dat zij snel worden gediscrimineerd. 

Discriminatie is echter ook binnen het menselijk ras een veel voorkomend fenomeen, en misschien is het nastreven van gelijke behandeling van mens en dier wel een mission impossible. Zelfs al wordt een wezen een morele status, een belang van leven van het wezen ongeacht de relatie tot andere wezens, toegewezen betekent dat in de praktijk niet dat dit schepsel ook op moreel rechtvaardige wijze wordt behandeld. Het toekennen van een morele status aan dieren zou hoe dan ook impliceren dat zij kunnen lijden en dat zij er dus ook belang bij hebben niet te lijden. Hierdoor is het in ieder geval relevant er naar te streven om dieren die in staat zijn gevoelens te ervaren zo te behandelen dat zij zo min mogelijk hoeven te lijden. Het is belangrijk ook het zonder voorafgaande pijn doden van een levend wezen als leed te benoemen, anders zou het pijnloos doden van mens noch dier moreel onjuist zijn. Een onderbouwing hiervoor is dat als iets sterft, daarmee ook de toekomstige mogelijkheden van dat wezen weg worden genomen. Het doodschieten van een wolf, zoals is gebeurd in Zweden, is dus vanuit deze opportunity based view moreel verwerpelijk. 

De totale onverschilligheid voor het lijden van zowel mens als dier die Romain Roland beschreef is inherent aan de mens, en zal waarschijnlijk altijd morele rechtvaardigheid in de weg blijven staan. Dit mag echter niet af doen aan de morele plicht van de mens om ook dat wat niet in staat is voor haar eigen bestaan te pleiten en niet beschikt over dezelfde intelligentie als de mens, maar wel bewustzijn heeft over haar gevoelens, te behandelen op een manier die dat in acht houdt. Dit houdt in dat we dieren met morele status, net als de medemens, niet simpelweg kunnen behandelen als gebruiksvoorwerpen. Praktijken zoals het inperken van een populatie, puur omdat een soort tot last is van de mens, zijn daarom onacceptabel en ongenuanceerd. 

In mijn kinderjaren was ik altijd bang voor de wolf uit het sprookje Roodkapje en de boze wolf. Vanaf het moment dat Roodpakje een stap zette in het bos voelde ik als het ware de aanwezigheid van de wolf naderen, de wolf die een bedreiging vormde voor het onschuldige en onweerbare meisje. Hoe ze vanaf nu het sprookje van Roodkapje vertellen in Zweden weet ik niet, de laatste zin van het sprookje kan echter onveranderd blijven: ‘Niemand heeft ooit meer last gehad van de wolf…’

 

Alwin Veldboom is secretaris bij Morgen en student Milieu & Maatschappijwetenschappen.

Back To Top