skip to Main Content
Het Aanpakken Van De Wereldproblematiek : Waarom We Het Wel Kunnen, Maar (nog) Niet Doen

Het aanpakken van de wereldproblematiek : waarom we het wel kunnen, maar (nog) niet doen

De grote vraag van onze tijd is niet hoe we de ‘grote problemen’ moeten aanpakken, maar waarom we het (nog) niet doen. Er zijn veel uitdagingen in onze Nederlandse samenleving, in Europa, in de wereld. Klimaatverandering, sociale ongelijkheid, het failliet van ons economische systeem, afbrokkeling van solidariteit, en ga zo maar door. Maar o zo vaak heb ik het gevoel dat we allemaal struisvogels zijn. Struisvogels die hun koppen in het zand steken. Het zand is warm en comfortabel. Het is de plek waar we een Albert Heijn hebben met alles wat ons hartje begeert. Met onze kop in het zand kunnen we zonder schuldgevoel langs een zwerver lopen en onszelf vertellen dat er een daklozenopvang bestaat en zoiets als eigen verantwoordelijkheid. Dankzij het zand kunnen we een mango kopen met een ‘fair trade’ sticker erop en ons een totale milieu activist voelen. (In plaats van ons bezig te houden met de vraag hoe duurzaam en eerlijk dat zoete vruchtvlees daadwerkelijk geproduceerd is.)

Door: Vera Vrijmoeth

In het zand is consumptie de oplossing voor een economische crisis, het redden van een bank de oplossing voor de bankencrisis, en CO2 opslag de oplossing voor een te hoge CO2 uitstoot. In het zand hebben we alleen maar oog voor onze directe omgeving, de zeer nabije toekomst, en de symptomen van de problemen in plaats van de problemen zelf.

Soms heb ik zelfs het gevoel dat we het zand nodig hebben om te kunnen functioneren. Zonder het zand zouden we het allang hebben opgegeven. Zonder het zand zouden onze motivatiebrieven niet meer volstaan met woorden als ‘maatschappelijke impact’ en ‘het verschil maken’. We zouden wegschroeien in de hete zon, die ‘global challenges’ heet.

Maar is ons gevoel van wanhoop, van ‘toch geen verschil kunnen maken’, wel terecht? Welke mechanismen stoppen ‘ons’, Nederlanders en wereldburgers, in het aanpakken van de problemen? In andere woorden, waaruit bestaat het zand en hoe komen we erin terecht? Als we deze mechanismen doorzien, kunnen we met mate onze kop uit het zand halen en misschien zelfs wel onze kop boven het maaiveld uitsteken.

Waarom we het wel kunnen

Eén van de voorvechters van een positiever beeld van het menselijk oplossingsvermogen was Hans Rosling. De Zweedse statisticus maakte er zijn levenswerk van om de vooruitgang van de mensheid in de afgelopen decennia genuanceerd zichtbaar te maken. Zijn belangrijkste boodschap : verdeel de wereld niet in twee groepen : arm en rijk, ontwikkeld en onderontwikkeld. Dat binaire beeld is achterhaald. Met simpele bubbel-diagrammen liet Rosling de mondiale vooruitgang zien die dankzij menselijke inventiviteit is bereikt. Hij liet bijvoorbeeld zien dat de levensverwachting, waterkwaliteit, ondervoeding en vaccinatiegraad, maar ook het percentage van meisjes dat de basisschool afmaakt allemaal enorm gestegen zijn sinds 1965.

De mens heeft dus al vaker laten zien dat  hij de capaciteit heeft om grote uitdagingen aan te gaan. We ‘kunnen’ het wel. Dit geldt ook voor de uitdagingen die nu spelen. Een gebrek aan kennis en technologie zijn namelijk niet de grootste struikelblokken om de problemen aan te kunnen pakken. Bijvoorbeeld : Nederland kan in 2030 volledig klimaatneutraal functioneren. Dit onderzocht de NGO Urgenda, die ook de klimaatzaak tegen de Nederlandse staat won.

Het gebrek aan actie ligt ook niet aan een gebrek aan beschikbare informatie (en dus kennis). Nog nooit sinds de opkomst van het internet is er zo veel informatie-uitwisseling mogelijk geweest. Miljoenen boeken zijn gratis te downloaden, een skype-verbinding kan worden opgezet met alle uithoeken van de wereld, en duizenden kranten en online vakken zijn met een muisklik toegankelijk. Je hoeft het alleen maar te ‘Googlen’. Als we het willen, kunnen we ‘het’ weten.

De crux ligt dus niet in een gebrek aan beschikbare kennis of technologische ontwikkeling. Maar waaraan ligt het dan wel?  

Competitie voor onze aandacht

Internet en sociale media staan helaas niet alleen symbool voor gelijkheid en toegang tot informatie, maar ook voor grote internationale gebeurtenissen zoals de Arabische lente en de verkiezing van Donald Trump. Wat blijkt? Sinds de opkomst van het internet is onze informatievoorziening eenzijdiger geworden dan ooit. Misschien ontstaat er door de grote hoeveelheden beschikbare informatie een noodzaak om een selectie te maken. Terwijl in het tijdperk voor het internet die taak misschien lag bij de nationale kranten, wordt de selectie nu gemaakt door bedrijven als Google en Facebook. Vaak is dit een selectie op basis van wat bedrijven denken dat je ‘wil weten’, met als gevolg : ‘de filter bubble’. Zo ontstaat er een rare paradox waarin de potentie bestaat alles te ‘kunnen weten’. In de praktijk leidt dit tot een verdere beperking van wat men ‘wil weten’. Het internet biedt het comfort aan de menselijke psyche om voornamelijk met informatie uit de eigen ‘filter bubbles’ geconfronteerd te worden. Zo word je letterlijk afgeschermd van informatie die je eigen wereldbeeld uitdaagt en dus ook van informatie die je tot actie zou kunnen aanzetten.

Dit gebeurt op twee manieren. Aan de ene kant wordt je niet of weinig met nieuws geconfronteerd dat jou zou kunnen confronteren met je eigen verantwoordelijkheid in de wereldproblematiek of de ontwikkelingen op de lange termijn. Grote nieuwsmedia rapporteren bijvoorbeeld over vluchtelingenstromen die  veroorzaakt worden door een oorlog van een dictator tegen zijn volk in het Midden Oosten. Echter, wat daar niet bij verteld wordt is dat Europese landen vaak verantwoordelijk zijn voor het leveren van wapens aan dat conflict. Aan de andere kant wordt je aandacht wel opgezogen door een eindeloze stroom aan nieuws over korte termijn incidenten die je vooroordelen bevestigen (nog een Afrikaanse leider is corrupt geweest) of ellende die zo groot lijkt, dat je er weinig aan kunt doen (klimaatverandering heeft de oorlog in Syrië mede veroorzaakt). Zo ontstaat er aan de ene kant een verkeerd beeld van het probleem (wat een slechte dictator in plaats van het Europese land x heeft wapens geleverd) en tegelijk een competitie voor onze beperkte aandacht. Maar de uitkomst van die competitie is helaas vaak aandacht voor diegene die het hardste schreeuwt of het zieligste plaatje gebruikt. Zoals Rutger Bregman recent nog schreef op de Correspondent “empathie is niet de oplossing, maar de oorzaak van onze grootste problemen” (Bregman, 2018).

Deze competitie voor aandacht leidt dus niet tot een rationeel of genuanceerd wereldbeeld. In plaats daarvan is ons idee van de daadwerkelijke urgente problemen en welke invloed we daarop kunnen hebben verstoord. We hebben aandacht voor de dagelijkse en  vaak irrelevante uitspraken van wereldleiders, maar zien niet vaak genoeg waar die de afgelopen tien jaar tot geleid hebben. Bovendien komt een overvloed aan negatieve berichtgeving ons constant tegemoet.

Apathie als zelfbescherming

Een gevolg van deze stormvloed aan negatieve prikkels werd sterk verwoord in een boek van ‘Victor Frankl’. Frankl was een psycholoog die tijdens de tweede wereldoorlog meerdere jaren in concentratiekampen verbleef. In zijn boek beschrijft hij het belangrijkste effect van het kamp op de gevangenen: apathie. Doordat de gevangenen alleen maar met ellende omringd worden, treedt een vorm van zelfbescherming op. Ieder individu heeft maar een beperkte hoeveelheid energie en die energie is voor de gevangenen letterlijk van levensbelang. Het lijkt een logisch gevolg dat gevangenen zich afsluiten voor de verschrikkingen die ze constant om zich heen zien.

In onze samenleving worden we op eenzelfde manier continu met problemen geconfronteerd. Je hoeft het nieuws maar aan te zetten en je hoort over een nieuw incident. ‘Trump zegt het klimaatverdrag van Parijs op’. In Munster heeft een terroristische aanslag plaatsgevonden’. De rijkste 1 procent in de land y bezit x procent van het kapitaal. Als je je de volledige scope van de wereldproblematiek doorziet, kan je bijna niet anders dan je in je appartement op te sluiten met een fles wijn, ‘love actually’ en een reep ‘Tony Chocolonely’.

Jelmer Mommers (2015) benadrukte het al eens. Het apocalyptische verhaal dat gepaard gaat met problemen zoals klimaatverandering houdt passiviteit in stand. Het werkt verlammend. Het is David tegen Goliath. Het individu tegen het klimaat. Het is ‘Remi alleen op de wereld’. Kom je nog in actie, als je het gevoel hebt dat jouw individuele bijdrage toch niet uitmaakt? En blijf je nog gevoelig voor de problemen om je heen, als je er de hele dag mee geconfronteerd wordt?

Het antwoord is natuurlijk nee. Dit brengt me tot de volgende paradox : meer blootstelling aan de wereldproblematiek, zorgt ervoor dat we minder actie ondernemen.

De constante stroom aan berichtgeving leidt ons af en geeft het gevoel dat er elke dag een nieuw probleem is. Daardoor is het moeilijk een focus te ontwikkelen en krijg je in plaats daarvan snel een gevoel van moedeloosheid en apathie.

Een mechanisme dat verder bijdraagt aan deze apathie zijn begrenzingen. Een emotionele afstand of apathie is namelijk gemakkelijker in stand te houden als er ook andere begrenzingen in het spel zijn. Dit kunnen letterlijke begrenzingen zijn, zoals afstand, of figuurlijke begrenzingen, zoals de anonimiteit van het internet of het individualisme in de samenleving.

Afstand en tijd

Letterlijke afstand is één van de belangrijkste kenmerken van het internationale handelssysteem. Bijvoorbeeld : door globalisering is ons voedselsysteem totaal over de wereld verspreid. Het systeem dat voedsel voor miljarden mensen mogelijk maakt, zorgt ook voor geweldige verspilling en exploitatie van mens en natuur. Maar die verspilling en exploitatie zien we niet doordat we er letterlijk niet bij zijn. We zien nooit de pijn van een dier als het geslacht wordt. Dat ondermijnt het natuurlijke respect dat normaal met zo’n proces gepaard zou gaan en de menselijke vleesconsumptie op een natuurlijke wijze zou beperken.  

Tijdens een reis door Kenia, werd ik vrij direct met het effect van afstand op mijn consumptie geconfronteerd. Ik bezocht een sloppenwijk in Nairobi en sprak met de lokale bevolking over de sanitaire voorzieningen. De bewoners lieten de rivier zien die twee wijken van elkaar scheidde. We liepen over een bedding van plastic zakken waartussen pikzwart water stroomde. Een dag later bleek waar de vervuiling vandaag kwam. Andere studenten hadden gezien hoe een fabriek van een grote en bekende westerse cosmeticagigant fel gekleurd water vol chemicaliën direct de rivier in liet stromen.  

De welbewuste rivier. Foto : Moritz Menzel

Ik had nota bene mijn gezicht die dag nog ingesmeerd met zonnebrand van het merk. Ja ik wist wel dat de fabriek niet in Nederland zou staan en dat er eventueel iets niet helemaal ‘pluis’ zou kunnen zijn. In andere woorden, ik had het kunnen weten, maar wilde het als ik heel eerlijk ben niet weten. Dat was mogelijk omdat ik de gevolgen niet had gezien. Fysiek naast een vervuilde rivier staan waar kinderen naar bruikbare spullen zoeken tussen het afval, is absoluut iets anders dan weten dat het product hoogstwaarschijnlijk niet clean is. Zou ik dat product ook hebben gekocht als ik van die rivier dagelijks zou zien? Waarschijnlijk niet.

Laat ik het nog sterker stellen. Zou ik het product hebben gekocht, als dat als direct gevolg zou hebben dat achter mijn woning een pikzwarte rivier zou stromen? Zou ik het product hebben gekocht, als ik vervolgens mijn eigen moestuin zou moeten besproeien met datzelfde water? Zou ik het hebben gekocht, als ik van die moestuin afhankelijk was voor mijn voedselproductie?

Westerse bedrijven die door middel van uitbuiting en vervuiling hun producten produceren, kunnen dat niet doen omdat hun klanten dat gedrag expliciet goedkeuren, maar doordat die klanten nauwelijks met de naar het buitenland ‘geëxporteerde gevolgen’ geconfronteerd worden. Wij kunnen hier zo luxe leven, omdat andere mensen daaronder lijden. De afstand maakt het tolereren van de misstanden makkelijker.

Tijd volgt hetzelfde principe. Als het langer duurt voordat de gevolgen van jouw individuele acties merkbaar worden, is het makkelijker je schouders op te halen voor de gevolgen. Bijvoorbeeld bij klimaatverandering worden we niet met de gevolgen van onze consumptie en emissie geconfronteerd door ‘tijd’. Men weet dat het gedrag op de lange termijn gevolgen heeft, maar wordt er op de korte termijn niet mee geconfronteerd. Daardoor is het makkelijker je bezig te houden met ‘urgentere zaken’ en actie uit te stellen. Iets wat we de afgelopen decennia hebben gedaan.

Maar de concrete vormen van afstand en tijd verklaren niet alle ‘inactie’. Voor een compleet beeld moet je ook kijken naar kenmerken van de huidige samenleving  die bijdragen aan bepaalde vormen van ‘inactie’ en een zogenaamde ‘moral disengagement’ of apathie.

Globalisering, diffuse van verantwoordelijkheden & hiërarchie

Toen de onderzoeker Zimbardo in 1971 zijn beroemde ‘Stanford prison experiment’ startte, had niemand de gebeurtenissen voorzien die zouden volgen. Normale studenten die de rol toebedeeld kregen van gevangene of cipier bleken in staat tot exorbitante hoeveelheden van geweld. Ook al zijn het experiment en de conclusies voor de psychologie niet onomstreden, zorgde de academische publicatie wel voor een debat in en rond de vraag: wat zet individuen aan tot het plegen of tolereren van geweld?

Albert Bandura, een professor in de psychologie op de universiteit van Stanford, identificeerde een aantal mechanismen die vormen van apathie (en geweld) tot gevolg hadden. Zo benoemde hij de diffusie van verantwoordelijkheden onder daders, het afschuiven van verantwoordelijkheden op anderen, en de dehumanisering van slachtoffers, bijvoorbeeld door het gebruik van neerbuigend taalgebruik.

Deze foto uit een sloppenwijk in Kenia verbeeldt vrij letterlijk wat er mis gaat in ons voedselsysteem. Het plastic dat in een sloppenwijk samenkomt, is daar terechtgekomen via honderden, misschien wel duizenden, producenten en consumenten. Het is niet gemakkelijk één verantwoordelijke aan te wijzen. Ondertussen eet de lokale bevolking wel vlees, zonder toegevoegde suikers en E-nummers, maar met toegevoegd plastic. Foto: Moritz Menzel

Juist deze mechanismen, die bijdragen aan het tolereren van impliciet geweld, zitten verweven in onze geglobaliseerde wereld. In wereldwijde handelsstructuren is er een eindeloze verdeling van taken, waardoor de meeste actoren de verantwoordelijkheid voor problemen (niet eens altijd onterecht) bij anderen kunnen neerleggen. Zie daar de diffusie en het afschuiven van verantwoordelijkheid op anderen. Een goed voorbeeld hiervan is de kledingindustrie of  de verwerking van afval. Door schadelijk afval te verschepen naar ontwikkelingslanden, ontlopen westerse bedrijven de hoge kosten die met de verwerking gemoeid gaan in Europa. In de ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld tijdens het afbreken van oude containerschepen in India, zijn de werkomstandigheden slecht en gaan de lokale ecosystemen kapot door het dumpen van het afval in de natuur. Door de grote hoeveelheid aan schakels, is het echter moeilijk hier een verantwoordelijke organisatie voor aan te wijzen. Het westerse bedrijf zal zeggen dat ze het schip hebben doorverkocht aan een ander bedrijf en dus niet langer verantwoordelijk zijn. De tussenverkoper zal naar de eindverwerker wijzen en de medewerkers naar hun maag.

Wat verder bijdraagt aan deze diffusie van verantwoordelijkheden is hiërarchie. Hiërarchie beperkt verantwoordelijkheden doordat mensen onderaan de hiërarchie de opdrachten van anderen uitvoeren. Dit veroorzaakt nog meer diffusie van verantwoordelijkheden.

Bovendien heeft men in een zeer hiërarchisch systeem het gevoel weinig verschil te kunnen maken, door gebrek aan macht. Hetzelfde principe speelt op dit moment in Nederland. Door de groeiende afstand tussen de politiek en ‘de normale man’, heeft men het gevoel ‘dat het toch niet uitmaakt’, dat men geen invloed kan hebben op wat er gebeurt. Let wel, dit gevoel van een groeiende afstand is niet onterecht. Nog nooit is bijvoorbeeld de vermogensongelijkheid in Nederland zo groot geweest. Dit verkleint de mogelijkheden die burgers hebben om bijvoorbeeld door middel van lobbyen invloed uit te oefenen op de politiek. Als je het gevoel hebt dat je weinig invloed uit kan oefenen op de huidige situatie, verkleint dit uiteraard de kans dat je alsnog in actie komt.

Ook van een bepaalde mate van dehumanisatie, het derde mechanisme van Bandura, is sprake. In Nederland duiken er steeds opnieuw weer tekenen van een geïnternaliseerd racisme op, van de zwarte pieten discussie tot de discriminatie van allochtonen in sollicitatieprocedures. Dit gebeurt ook subtiel. In het nieuws wordt bijvoorbeeld corruptie van de overheid in een Afrikaans land besproken. Ook al is dit nieuws misschien niet feitelijk onjuist, het belicht  wel maar één kant van de ontwikkelingen in het land. De groeiende deelname aan het onderwijs, of leiderschap van de jeugd in de politiek wordt bijvoorbeeld niet belicht. Wat in het nieuws komt lijkt objectief, maar dit is in feite subjectief. Door subtiel gebruik van taal en de keuze ‘wat het waard is om onder de aandacht te brengen’ worden mensen in bepaalde delen van de wereld gedehumaniseerd. We zeggen niet letterlijk ‘deze mensen zijn minder waard’, maar we noemen ze terroristen, vluchtelingen, of Afrikanen met zwakke instituties en corrupte overheden. Raad eens? In feite heeft dat hetzelfde effect. Bovendien, legitimeert het blijkbaar een strenge grensbewaking, een Turkije deal, oneerlijke handelsverdragen, en het exporteren van de gevolgen van klimaatverandering naar deze ontwikkelingslanden.

Uit het idee van ontwikkelingshulp alleen al spreekt al een zekere mate van neerbuigendheid. Een relatie waarin de één hulp biedt en de ander ontvangt kan men moeilijk gelijkwaardig noemen. Hoe goedbedoeld die hulp ook moge zijn.

Individualisering

Is er ooit tegen je gezegd : Leef je droom… je moet je dromen najagen. Je hebt maar een leven. Of de bekende uitspraak van Steve Jobs tijdens een speech op Stanford – ik parafraseer –  : “Als dit je laatste dag zou zijn, wat zou je dan met je dag doen?”

In een samenleving waarin je status wordt afgemeten aan je prestaties is jezelf opofferen voor iemand anders niet per se een logische keuze. In een economie waarin de belangrijkste eigenschap van de mens egoïsme en handelen naar eigenbelang is, gaat de mens zich daar langzaam ook naar gedragen. En als je in zo’n samenleving status en geld verwerft, ga je misschien zelfs geloven dat je dat door je eigen toedoen hebt bereikt. Want dat is je je hele leven verteld: als je hard werkt kan je alles worden. Maar ook, je bent verantwoordelijk voor je eigen succes en je eigen falen. In het geval dat je daar zelfs maar een klein beetje in gelooft, zou je dan meer of minder snel je rijkdom met andere delen? Bovendien, wat ga je in zo’n wereld denken van de mensen  die het niet gemaakt hebben, die gefaald hebben, die – in jou ogen – niet hard (genoeg) gewerkt hebben? Zijn die ook verantwoordelijk voor hun eigen falen? Een beetje wel toch…

Met andere woorden, de ‘Amerikaanse droom’, de nadruk op het individu in de westerse samenleving, draagt bij aan een verminderde solidariteit voor anderen. De ideologie geeft ons een excuus om niets te doen. Wij hebben er namelijk (wel) hard voor gewerkt, en  de anderen niet.

Hoe we wel in actie kunnen komen

Okay, dus nu weten we hoe het niet moet. Als je een competitie voor onze aandacht, combineert met apathie, afstand, globalisering, individualisering en hiërarchie krijg je een situatie waar je moedeloos van wordt.

Maar, wat zou er gebeuren als we deze mechanismen om zouden draaien? Wat gebeurt er als we ons bewust worden van de constante prikkels, de stroom aan negatieve berichtgeving, en actief en rationeel nadenken over hoe we (A) constructieve informatie tot ons kunnen nemen en (B) daar effectiever op zouden kunnen reageren. Wat gebeurt er als we bijvoorbeeld kiezen om ons op één probleem te richten en daar twee uur per week aan spenderen samen met anderen? Bovendien, wat gebeurt er als we af en toe proberen letterlijke en figuurlijke afstanden te overbruggen? Wat zou er gebeuren als we ons voornemen één maal per week te praten met iemand  die we nog niet kennen en met wie we normaal ook niet zouden spreken? Wat gebeurt er als we vragen, wat die persoon bezighoudt, waar hij of zij dankbaar voor of teleurgesteld over is? Wat nou als we nadenken over het effect van onze consumptie in tien jaar tijd?

Dit lijken simpele acties, maar ze kunnen helpen om de onbewuste effecten van de structuren om ons heen tegen te werken. Zo kunnen we samen letterlijk de struisvogelpolitiek bestrijden. Visie is niet als de olifant die het uitzicht belemmert ❃ – zoals Mark Rutte ooit zei – , maar een teken dat je verder weet te kijken dan ‘het incident’ of ‘het symptoom’. Met onze kop boven het zand pakken we de uitdagingen van onze tijd aan bij de wortel. Met onze kop boven het zand zijn we tegelijk adaptief en anticiperen we op onze omgeving. Daarnaast focussen we ook  op de problemen die er echt toe doen. Maar bovenal, met onze kop boven het zand zijn we niet alleen, maar zien we vanzelf al die andere mensen die het ook proberen.

Bronnen:

Bregman, R. (2018) Empathie is niet de oplossing, maar de oorzaak van onze grootste problemen. De Correspondent. https://decorrespondent.nl/8125/empathie-is-niet-de-oplossing-maar-de-oorzaak-van-onze-grootste-problemen/1202399412500-38e421ba

Mommers, J. (2015). Wie de wereld van de ondergang wil redden, kan over het einde maar beter zwijgen. De Correspondent. https://decorrespondent.nl/3622/wie-de-wereld-van-de-ondergang-wil-redden-kan-over-het-einde-der-tijden-beter-zwijgen/536011159640-84bf0b8a

❃ Wat de uitspraak exact was daar zijn de rapportages niet eenduidig over. De Volkskrant rapporteerde “Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert”, terwijl de Elsevier schrijft “Visie is als de olifant die het uitzicht beneemt”

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top